Col. 4:17b  “Zorg, dat gij de bediening, die gij in den Here aanvaard hebt, ook vervult.”

 

Meditatie

 

(N.a.v. de Schriftlezingen: Psalm 100 & Rom. 13 : 8-10)

 

IN MEMORIAM HEDWIG LORETTE ROUMIMPER-PANGKEI

 

 

Ze zeggen dat de bedoeling van een dienst…kerkdienst als deze…is, om woorden, waarheden naar voren te brengen die ook waar zijn los van degenen, van wie we afscheid moeten nemen. Ik ben daar niet toe in staat. Mijn overdenking zal dus een veel te persoonlijke kleur hebben. Maar ja…ik kan niet anders !

 

Ik kwam onlangs een gedichtje tegen het is van Kopland, ’t heet ‘Weggaan’:

Weggaan is iets anders

dan het huis uitsluipen

 zacht de deur dichttrekken

achter je bestaan en niet

terugkeren. Je blijft

Iemand op wie wordt gewacht.

 

Weggaan kun je beschrijven als

een soort van blijven. Niemand

wacht want je bent er nog.

Niemand neemt afscheid

want je gaat niet weg.

 

Ooit kende ik niemand die Hedwig heette. Als ik die naam toch weleens hoorde, dan zag ik voor mij een grote Germaanse vrouw, die met grote stappen liep en met een grote stem riep. Het was dan ook een grote verrassing toen ik eindelijk iemand in levende lijve tegenkwam die Hedwig heette…onze Hedwig. Zo precies het tegenovergestelde van wat die naam eerder bij mij opriep: Klein en donker….met een zachte maar vooral welluidende stem. Iemand, zo helemaal in strijd met haar naam, die toch wel de betekenis heeft van strijd/gevecht. Allebei de lettergrepen betekenen: strijd. Maar toen we Hedwig tegenkwamen..in onze Hedwig nam de vriendelijkheid en de vrede gestalte aan. O, maar ze deed haar naam wel alle eer aan, want strijdbaar was ze zeker !

Misschien….had ze iets meer weg van de Middeleeuwse dichteres Hadewych, die zulke ontroerende mystieke liederen zong ?

Overigens…er was in haar leven..veel te vroeg in haar bestaan: strijd. Haar jonge ogen hebben barbaarse dingen gezien, haar jonge hart moet gebeefd hebben. ’t Is eigenlijk een wonder dat haar hart het niet al veel eerder begaf, als je terugdenkt.

Denkt aan ‘de gordel van smaragd’, die vanaf december 1941, een dag na haar 8e verjaardag, veranderde in een eilandenrijk in vlammen, een inferno !

Ik ga maar niet verder terug naar die tijd: te erg, te veel verloren.

Ik kijk met u terug naar het leven van Hedwig, die terugkwam uit de hel.

Die daar zoveel achterliet, zoveel verloor, onherstelbaar verloor..

En die, dat is iets wonderlijks, ze kwam uit die tirannie…ze kwam er niet met wrok en vol argwaan uit, maar onbevangen, met een open, vriendelijke blik, met een warme stem.

Die stem van Hedwig, onvergetelijk, met altijd iets van een vraag erin; ze hoorde niet zo thuis temidden van de veel hardere Hollandse klanken.

Geen wonder dat haar hart uitging naar de Franse taal, melodisch, lieflijker, naar de melancholieke muziek van Fréderic Chopin.

 

Maar ik zie haar, jullie samen, Maurits, vooral zitten, met aandachtig geheven gelaat opkijkend naar de hoge kansel hier, luisterend naar het Evangelie.

 

Samen, Maurits en Hedwig, begonnen met die tekst, die op de rouwkaart staat, door ene Paulus geschreven aan de christelijke gemeente van Kolosse.

(In april j.l. waren we op een dag heel dicht in de buurt van Kolosse, heel dicht bij de plek waar deze tekst, jullie trouwtekst, het eerst gelezen werd, gericht tot een zekere Archippos). Jullie waren je dat toen niet zo bewust.

Je wist niet beter te doen dat die trouwtekst op de rouwkaart te zetten. Hij klinkt nogal scherp, als een aansporing: denk erom dat je doet wat je als volgeling van de Heer hebt afgesproken !!

Maar zo horen we die zin vandaag niet. We zeggen vandaag, intens verdrietig, maar ook met zoiets als trots/bewondering: We durven te beweren dat zij die afspraak is nagekomen, en hoe !

Ik zie hoe ze haar hoofd zou schudden en hoor haar zeggen: Dat is toch normaal…met die haar kenmerkende intonatie.

Ze was wel de laatste om zich op de borst te kloppen.

Ach…je was toch de koning te rijk met zo’n vrouw/moeder/medemens.

Dat ze iemand mocht zijn in wier doen en laten iets doorstraalde van de Heer, Die immers zei: Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen..

Wat een ontzettend gemis, als er iemand wegvalt die zegt: tot je dienst,

Iemand die beschikbaar was, die ‘’ik zeg geen “nee” zei.

Ook als je dacht: nou zou ’t begrijpelijk zijn als ze bezwaren zou hebben, dan schonk ze je ruimte, vertrouwen.

O, ik denk, ik weet, ik las in haar ogen: daar denk ik ’t mijne van…maar ze drong niet aan, drong niet op.

Ik leerde haar kennen als een mens die er helemaal bij was…liever toch niet opviel, zich geroepen wist een steentje bij te dragen.

Joh ’t was maar een heel klein steentje, niet om over naar huis te schrijven..

Maar…als je dan toch iets goeds wil zeggen, Lukas:

Het was de Heer, Die me riep en tegen zo’n grote liefde en genade kon ik toch geen ‘nee’ zeggen?

Weet je wat ze vast en zeker ook zou zeggen: Ik ben in zoveel opzichten tekortgeschoten. Ik deed bijv. veel te veel tegelijk, was er niet als ik er had moeten zijn, ik kwam tekort en kwam zoveel te laat ! Zeg dat in elk geval ook ! Maar dat doen we niet…

Want ja, er was sprake van liefde, de vervulling van de wet en daarom toch het nakomen van de afspraak.

Tussen haakjes: ’t is me al meer dan eens en ook vandaag weer opgevallen, dat mensen met een Indische achtergrond nooit in de verleden tijd, altijd in de tegenwoordige tijd spreken, ook als iemand is heengegaan. Zo heel anders als wij, rationele ‘zonen van kille westerstranden’, die zich veel te snel bij de feiten neerleggen.

 

Toen Hedwig moest gaan vertrekken….ach, wat was ze nog graag gebleven, moest ik denken aan een gedicht van Jan H. de Groot, over een vriend, kunstschilder, die zich hoewel gelovig, niettemin verzette.

Ik varieer een gedeelte van dat gedicht:

 

Zo was zij voor de hemel wel gereed

maar niet van zins de aarde te verlaten

totdat God Zelf haar uitgeleide deed.

 

Toen moest onze Hedwig wel, zij ging en trad

over de overloop in de gouden straten,

in kleuren die geen aards palet bevat.

 

Vrijdag j.l. klonk op de drempel, met jullie erbij, een Psalm.

Ze ging niet weg, ze ging naar Huis.

Opgeheven uit de pijn en moeite.

Ze ging Zijn poorten binnen: Welkom in de Voorhoven,

De eeuwige woningen.

Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid !

Amen

 

 

 

 

Hier leggen wij haar lichaam neer

En staan het aan de aarde af.

Haar levensadem keerde weer

Tot God die haar de adem gaf

 

Over de graven klinkt een stem

Die spreekt met goddelijk gezag,

Dat wie in Christus was, in Hem

Zal blijven op de jongste dag.

 

Haar naam staat vaster dan een steen

Gegrift in Gods gedachtenis,

Die haar het leven gaf ter leen

En die geen God van doden is.

 

Uit ‘Poezie om te zingen’ (Ad den Besten)

Zoetermeer 1998 pag. 58